02-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (2)

KZ A 5148.jpgWat voorafging: 1. “Eigenlijk is het niet goed voor mij, om dat hele verhaal nog eens te vertellen”, zegt ze. “Maar ik wil het tóch doen. En dan wil ik de bladzijden omdraaien en alleen nog maar naar de toekomst kijken.” Regine Beer (foto) gaf in 2007 haar laatste lezing. Bijna tweeduizend keer is ze in scholen en elders gaan spreken over haar ervaringen in het concentratiekamp van Auschwitz-Birkenau. Op doktersbevel moest ze het voortaan rustiger aan doen. Voor Knack vertelde ze in 2007 nog een laatste keer haar verhaal. Als hommage aan de vrijdag negentig jaar wordende Regine Beer hernemen we hier vandaag en de volgende dagen dat interview.

Regine Beer: “Mijn papa is in 1940 gestorven. Hij was altijd diamantbewerker geweest, maar had in de jaren dertig niet veel werk gehad. Dat maakt dat er bij ons thuis geen financiële weelde was. Mama had geen beroep, die deed het huishouden. Ik was de enige die nog thuis woonde. Ik ging naar de normaalschool, want mama wilde dat ik zeker een diploma zou behalen. Zo ben ik lerares Franse taal en lichamelijke opvoeding geworden. De directrice van de normaalschool was altijd heel lief voor mij. Omdat ze wist dat we het thuis niet breed hadden, legde ze elke dag om tien uur een boterham voor mij klaar. Ik was een braaf meisje. Véél te braaf. Want toen de directrice mij zei dat ik mij op het Antwerps stadhuis moest laten inschrijven in het Jodenregister, heb ik die slechte raad ook opgevolgd. De directrice wist dat ik langs vaderskant van Joodse oorsprong was, en ze wilde in orde zijn met de papieren. En ik heb gewoon naar haar geluisterd. Als ik dat niet had gedaan, was het allemaal niet gebeurd.”

Wist ze dan niet wat haar boven het hoofd hing? “Toen ik mij ging inschrijven nog niet. Maar vrij snel kreeg ik in de gaten dat het beter was om mij niet als Joodse kenbaar te maken. De Jodenster heb ik nooit gedragen. Omdat ik wist dat ik er niet Joods uitzag, kon ik op een normale manier mijn leven verder zetten. Mijn zuster is zich niet gaan inschrijven. Zij was al getrouwd en droeg de naam van haar man. Mijn broer is zich wel gaan inschrijven. Hij had dezelfde naam als ik en was bang geworden. Hem wilden ze ook oppakken, maar dat is uiteindelijk niet gebeurd. Zijn vrouw, die een echt arisch type was, had hun slapend zoontje getoond aan de SS’er die hem kwamen ophalen – dat kind had een hazenlipje en een wolfsmuiltje. Toen hij dat zag, zei de jongste van de SS’ers: ‘Man muss nicht mit!’ Blijkbaar had hij ook een zoontje met zo’n hazenlip. Ik ben er niet aan ontsnapt. Doordat ik mij was gaan inschrijven, kwam het moment dat ze voor de deur stonden.” Het gebeurde ’s nachts.

“Ik lag boven te slapen, toen ik hoorde dat men beneden op de deur stond te bonken: ‘Aufmachen! Polizei!’ Mijn moeder heeft opengedaan en toen zegden ze dat ze mij moesten hebben. Mama heeft nog gezegd: ‘Jamaar, het is toch ook mijn dochter en ik ben geen Joodse!’ Maar dat hielp niet. Mijn vader was Jood, dus ik moest mee. Ze zijn de trappen op gedonderd, naar de tweede verdieping, tot in mijn slaapkamer. Ze bleven erbij staan terwijl ik mij aankleedde. Ze hebben mijn spaargeld nog gestolen, dat herinner ik mij ook. En ze hebben mij meegesleurd naar beneden en in een camion gegooid.” Mocht Regine afscheid nemen van haar moeder? “Neen, dat mocht niet. Mama weende alleen maar. En ik heb haar niet kunnen troosten. Ik had toen nog de hoop dat het allemaal wel zou meevallen.”

Waar werd Regine naartoe gebracht? “Naar de Dellafaillelaan 21, naast het Nachtegalenpark in Wilrijk. Daar moesten we de hele nacht rechtstaan in open paardenstallen. We hoorden er voortdurend geroep en geschreeuw – later bleek dat daar weerstanders gefolterd werden. Diezelfde nacht werden we weer in een camion geduwd en zijn we naar de Dossinkazerne in Mechelen gebracht. Daar kreeg ik mijn eerste nummer
(spreekt het uit op z’n Duits)  E 102 – met de ‘E’ van Entscheidung, omdat ik een van die twijfelgevallen was over wie men later nog zou beslissen. Ik heb meteen verklaard dat ik maar half-Joods was. Dat is mijn redding geweest. Want als ze meteen hadden beslist om mij weg te voeren, had ik veel sneller in het kamp gezeten.”

Wat gebeurde er allemaal in Mechelen? “Toen we daar aankwamen, moesten we ons uikleden. Overal zochten ze naar juwelen en andere kostbare dingen: in mijn mond, onder mijn oksels, overal waar het maar kon – ze gingen zelfs met een rietje door de schaamspleet.
(zwijgt, denkt na)  Verder was het daar niet zo erg als in Auschwitz-Birkenau, maar het was toch al een soort voorgeborchte, zou ik zeggen. We werden er bijvoorbeeld gepest. Dan moesten we allemaal meteen naar beneden komen om turnoefeningen te doen: op handen en voeten, en dan twintig keer na elkaar de armen buigen en strekken. Voor mij was dat geen probleem, ik deed dat met plezier. Maar er zaten ook stokoude mensen tussen, en als zij die oefeningen niet konden, werden ze verschrikkelijk geslagen.”

Waren daar mensen bij die Regine kende? “Neen, ik kende niemand in de Joodse gemeenschap. Mijn ouders hadden ons helemaal niet Joods opgevoed. Mijn vader had mij wel eens verteld dat hij Joods was, maar dat betekende verder niets voor ons. Ik kende dus niemand van de mensen die samen met mij waren opgepakt. In Mechelen heb ik wel mensen léren kennen, natuurlijk. Toen een andere gevangene ’s nachts had geprobeerd
(spreekt het schroomvol uit)  om met mij de liefde te bedrijven, waren er twee mannen die mij in bescherming namen: Daan Sternefeld en David Kusman. Ik mocht dan tussen hen in slapen, zodat niemand mij nog kon lastigvallen.”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

De commentaren zijn gesloten.