04-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (4)

Wat voorafging: 1, 2, 3. Wat gebeurde er als iemand ziek werd? Regine Beer: “Er was een soort verpleegzaal waar je dan terechtkwam. Wie hoge koorts had, werd eruit gehaald en naar de gaskamer gestuurd. Ik heb ook een paar keer in die zaal gelegen, maar blijkbaar was ik nooit ziek genoeg om vergast te worden.” Regine had een goede engelbewaarder. “(glimlacht)  Ja, je zou het nog gaan denken. Maar ik geloof niet in engelen of in God, hoor. Ik ben honderd procent vrijzinnig. Zo ben ik ook opgevoed door mijn ouders.”

Heeft Regine nooit getwijfeld? “Neen. Toen ik pas terugkwam uit Auschwitz, kwam een oude schoolvriendin mij bezoeken. ‘Regine’, zei ze, ‘ik weet dat jij vrijzinnig bent, maar ik ben gelovig, en ik ken een pastoor die graag met jou zou kennismaken. Zou jij niet eens met hem willen praten?’ Ik zag daar het nut niet echt van in, maar ik ben naar die man toe geweest. Wij hebben een halve dag met elkaar gesproken. Toen we afscheid namen, zei die pastoor:’De meeste mensen hebben een geloof nodig, omdat het een steun is voor hen. Maar u hebt dat niet nodig, u kunt leven zonder godsdienst.’” Voor sommige mensen is God gestorven in Auschwitz. “Dat begrijp ik zeer goed. Als God bestaat, dan heeft hij Auschwitz laten gebeuren, en dan is hij het slechtste wezen dat ik mij kan voorstellen.”

Welke beelden uit het kamp ziet Regine als ze de ogen sluit? “Dan zie ik de appelplaats, waar Mala Zimetbaum (foto: gedenkplaat aan het huis van Mala Zimetbaum in Borgerhout) voor onze ogen werd gedood, omdat ze in het gezicht van een SS’er had gespuwd en tegen hem had gezegd: ‘Uw tijd komt ook nog!’ Ik zie een vijver waar we eens in mochten springen terwijl we aan het marcheren waren, zodat we ons heel even fris konden voelen. En dan is er nog een beeld: kampgevangenen die door hun benen zakken en zich nog proberen recht te houden tegen de muur – als dat gebeurde, was het met je gedaan. Dat zijn zowat de belangrijkste beelden die ik zie.
(zwijgt even)  En wat ik ook altijd heb onthouden, is de stank in de barakken waar we sliepen. We sliepen in een soort kooien, met twee verdiepingen. Omdat ik nogal lenig was, kon ik meestal op de bovenste verdieping kruipen. Dat was de beste plaats, en weet u waarom? Omdat bijna iedereen diarree kreeg, en de urine en de (spreekt het woord stil uit)  Scheisserei zomaar liet lopen. Wie beneden lag, was altijd vies.”

Bestond er solidariteit onder de gevangenen? “Neen, het was verboden om solidair te zijn. Mensen probeerden elkaar soms wel te helpen, maar meestal was het ieder voor zich. Je kon ook bijna niet met elkaar praten, je moest altijd op je hoede zijn. Je was altijd eenzaam. Die eenzaamheid achtervolgt mij vandaag nog altijd.”

Heeft Regine met iemand over haar ervaringen kunnen spreken vóór het einde van de jaren zeventig, toen ze begon met spreekbeurten en lezingen te geven? “Neen, de eerste dertig jaar na de bevrijding heb ik er weinig over kunnen spreken. Toen ik pas terug thuis was, heb ik alles natuurlijk aan mama verteld. Mijn kinderen heb ik willen sparen, dus hen heb ik vroeger nooit te veel verteld. Al waren ze wel altijd nieuwsgierig naar dat nummer op mijn arm. Toen ze wat ouder waren, heb ik hen dan uitgelegd wat dat is.”

Wat betekent dat nummer voor Regine? “Het is mijn bewijs dat het allemaal echt gebeurd is. In Den Haag ben ik eens gaan spreken voor een groepje jongens die niet geloofden dat de kampen echt bestaan hebben. De vrouw die mij had uitgenodigd, wilde hen daar toch van overtuigen en nodigde mij daarom uit. Toen ik daar binnenkwam, was ik wel een beetje bang. Het waren allemaal nogal forse kerels. En in het begin waren ze helemaal niet geïnteresseerd in wat ik vertelde – je zag hen denken: ‘Laat dat oude wijf maar zagen.’ Tot ik dat nummer op mijn arm liet zien. Toen begonnen ze te denken. Niemand laat zoiets voor zijn plezier op zijn arm tatoeëren, dat beseffen ze ook wel. Toen waren ze genezen. Ze zijn later nog naar Auschwitz gegaan, en ze hebben mij zelfs nog een kaartje gestuurd. Dat vind ik een geweldig resultaat.”

Zijn er overlevenden die dat nummer laten weghalen? “Ja, heel veel. Ik zou willen dat het na mijn dood bewaard zou worden. Dat ze dat stukje huid uit mijn arm snijden en het laten drogen, zoals perkament. Maar het schijnt heel duur te zijn, en je krijgt er niet zomaar de toelating voor. Jammer, want dan zouden ze het ergens kunnen tentoonstellen. Het is niet omdat ik sterf dat alles moet worden weggegooid. Mensen moeten weten wat er gebeurd is. Het beste is natuurlijk naar Auschwitz zelf gaan. Bent u er al geweest?” Nog niet, neen. “U moet zeker eens gaan. Zelf wil ik het niet meer doen, voor mij is het veel te beklemmend. Ik ben verschillende keren teruggegaan, om mensen het kamp te tonen. Maar ik kan het niet meer aan. Lichamelijk niet, en geestelijk ook niet.”

 

Koestert Regine nog haat of boosheid? “(verbaasd)  Ikzelf? (resoluut)  Neen, ik ben niet haatdragend. En ik zou alle mensen willen aanraden om hun kinderen zo op te voeden, om hen te leren niet te haten. In het begin was dat voor mij natuurlijk niet gemakkelijk. De eerste jaren kon ik zelfs het woord ‘Duitser’ niet verdragen. Maar dat is stilletjes aan gebeterd, en nu heb ik dat absoluut niet meer.”

Heeft Regine haar schooldirectrice nog teruggezien? “Ja. Toen ik weer thuis was, heeft zij mama en mij zelfs eens uitgenodigd om een vieruurtje te komen gebruiken en eens te babbelen. Ik heb haar nooit iets kwalijk genomen.” Regine is, ondanks alles, blijven geloven in de mens. “Jazeker. Als ik ging spreken in scholen, eindigde ik altijd met een prachtige zin die ik ooit gelezen heb in het dagboek van Anne Frank: ‘En toch blijf ik geloven in de innerlijke goedheid van de mens.’”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

De commentaren zijn gesloten.