28-12-15

EXTREEMRECHTS CASHT BIJ FINANCIËLE CRISISSEN

De Duitse professoren Manuel Funke, Moritz Schularick en Christoph Trebesch hebben in hun studie Going to Extremes: Politics after Financial Crisis, 1870-2014 de band tussen financiële crisissen en extreemrechts (foto: Marine Le Pen en Geert Wilders) gekwantificeerd. De Tijd publiceerde een recensie van die studie. Hieronder hernemen we deels deze bespreking en vullen we verder aan.

De auteurs onderzochten meer dan achthonderd verkiezingen in twintig landen, waaronder België, van 1870 tot 2014. Omdat de studie over zo’n lange periode gaat, wordt abstractie gemaakt van tijdelijke fenomenen. Na een financiële crisis, zo blijkt, is er politieke instabiliteit en polarisatie waardoor de kiezer zich bijzonder aangetrokken voelt tot extreemrechtse partijen. Het beschreven fenomeen is natuurlijk niet nieuw. De band tussen de opkomst van het nazisme en de crisis van het interbellum is uitvoerig beschreven en onderzocht, evenals de impact van sommige crashes in de naoorlogse periode.

Over de hele periode van 1870 tot 2014 is de opkomst van extremistische partijen, voornamelijk rechtse, een constante na een financiële crisis. Extreemlinks profiteert minder van een financiële crisis. In Europa profiteerden vooral het Franse Front national (FN), de Britse UKIP en de Deense Volkspartij (DF) van de financiële crisis van 2007-2008. In de periode 2004-2014 zagen zij hun stemmenaantal verdrievoudigen. Ook in andere landen werd extreemrechts sterker. Al zijn er blijkbaar ook uitzonderingen op de regel, denken we maar aan het Vlaams Belang.

Een andere fenomeen is de fragmentatie van het politieke landschap na een financiële crisis. Dat bleek na de crisis van 2008, waardoor de regerende partijen in België, Denemarken, Duitsland, Japan, Nederland en Portugal hun electoraat met twintig procent zagen dalen. In Spanje was die trend eveneens opvallend. De twee grootste partijen, de conservatieve PP en de socialistische PSOE die traditioneel beurtelings aan de macht waren, zagen hun aandeel bij de kiezer dalen van 83,8 procent in 2008 naar nog slechts 50,7 procent vorige week zondag. Die trend is niet nieuw. In Scandinavië trad bij de bankencrisis eind jaren tachtig, begin jaren negentig een gelijkaardige versplintering van het politieke landschap op, waarbij soms noodgedwongen minderheidskabinetten werden opgezet.

De onderzoekers gingen ook na hoe lang een financiële crisis in de kleren van de kiezer blijft zitten. Na tien jaar is de impact op het stemgedrag haast helemaal verdwenen. Wat wél veel langer blijft duren, is de grotere variatie in partijen in het parlement. Een merkwaardige vaststelling van de studie is dat een financiële crisis een veel grotere impact heeft op het politieke leven dan andere vormen van economisch onheil. Een 'gewone' recessie, die niet voortkomt uit een financieel debacle, blijkt politiek een veel lagere impact te hebben. Sterker nog, regeringen lijken in een niet-financiële economische rampspoed gesteund te worden door de bevolking in plaats van afgewezen.

Voor dat laatste fenomeen zijn een aantal verklaringen. Een niet-financiële recessie valt te omschrijven als veroorzaakt door krachten van buitenaf zoals olieprijzen, natuurrampen of oorlogen. Financiële crisissen worden gezien als ontoelaatbaar omdat ze het gevolg zijn van een slecht beleid, slechte controle of favoritisme. Als er een financiële crash komt, dan geven de kiezers de schuld aan de politici. Een tweede verklaring is dat een financiële crash gevolgd wordt door een reddingsoperatie en de financiële gevolgen daarvan niet populair zijn. Ook de sociale gevolgen van een financiële crisis blijken een grotere impact te hebben

De conclusie is dat financiële crisissen politiek disruptief zijn, zeker in vergelijking met andere crisissen. De toegenomen politieke radicalisering en de tanende regeringsmeerderheden in Europa zijn in grote mate toe te wijzen aan de financiële crisis van 2008 en de daaropvolgende schuldencrisis.

Dat leidt tot de bijzondere conclusie dat de toezichthouders op de bankwereld én de centraal bankiers een grote verantwoordelijkheid voor de politieke stabiliteit dragen bij hun toezicht op de financiële markten. “Het voorkomen van een financiële crisis betekent dat de kans op een politieke ramp wordt verkleind”, luidt de slotconclusie. De studie geeft nog een tweede les mee: het grote politieke belang van een goed banken- en marktentoezicht. De banktoezichthouders en de centraal bankiers staan sterk op hun politieke onafhankelijkheid. Omgekeerd blijkt dat als ze falen, de politieke impact enorm groot is.

De politieke klasse heeft dus een dubbele reden om verscherpt toezicht te houden op het reilen en zeilen van de banken: om de bevolking jaren van inleveren te besparen die het redden van de banken kost, én om te vermijden dat de politieke klasse weggeveegd wordt ten voordele van extreemrechtse politieke avonturiers. Alleen lijkt de politieke klasse die sense of urgency nog niet begrepen te hebben.

00:05 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: sociaal, le pen, wilders |  Facebook | | |  Print

De commentaren zijn gesloten.