05-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (5)

Wat voorafging: 1, 2, 3, 4. Denkt Regine Beer (vandaag negentig jaar geworden!, nvdr.) dat het opnieuw kan gebeuren? “Als we niet voorzichtig zijn, wel. Denk maar aan Jean-Marie Le Pen, die de kampen ‘een detail in de wereldgeschiedenis’ noemt. Als hij dat zegt, zullen heel veel jonge mensen dat ook  beginnen te zeggen. Of denk aan het Vlaams Belang. Als ik hoor hoe die partij nog altijd tekeergaat tegen de allochtonen, dan word ik soms wel bang. Mensen weten blijkbaar niet meer wat dat betekent, ze geven zich geen rekenschap van de mogelijke gevolgen. Mensen beseffen niet hoe gevaarlijk haat is.”

De meeste mensen zijn allang niet meer bang van het VB. “
(laconiek)  Tja, dan moeten die mensen dat maar weten, hè. Ik, en vele andere overlevenden met mij, hebben ons uiterste best gedaan om de mensen te waarschuwen. En om zelf het goede voorbeeld te geven. Meer kunnen wij niet doen.” Wat bedoelt Regine met ‘het goede voorbeeld geven’? “Dat wij van de mensen houden. En zij haten sommige mensen. (zwijgt even, glimlacht dan)  Weet u, ze hebben het mij nooit durven vragen, maar als het Vlaams Belang mij zou hebben uitgenodigd om te komen spreken, dan zou ik het gedaan hebben.”

Regine heeft jarenlang haar verhaal verteld in scholen, maar vandaag zet ze daar een punt achter. Het werd te vermoeiend. “Ja. En ik droom er zo veel van. Niet elke nacht, hoor. Maar toch dikwijls. Ik zou dat willen kwijtraken. Het is nuttig geweest, ik ben blij dat ik er mee voor heb kunnen zorgen dat zo veel mensen op de hoogte zijn. Het is goed dat we niet vergeten wat er gebeurd is. Maar voor mij is het teveel geweest. Ik ben er ook een heel ander mens door geworden.”

Een somberder mens? “Een somberder mens, misschien wel. Ik wil best lachen, want ik weet dat lachen gezond is. Maar het gebeurt mij veel te zelden dat ik kan lachen. Het heeft mij ook wel sterker gemaakt, denk ik. Vroeger, en zeker vóór de oorlog, was ik een flauw en braaf kind. Dat ben ik vandaag zeker niet meer. Maar ik zou dat hoofdstuk willen afsluiten. Mijn huisdokter heeft mij gezegd dat ik er beter mee kan stoppen. Ik ben er veel te ziek van geworden. Zes jaar geleden heb ik drie maanden in het ziekenhuis gelegen, met een soort depressie. Dat wil ik liever niet meer.”

Maar Regine is er weer bovenop. “Ja. Mijn dochter heeft mij in feite gedwongen om eens naar een psychiater te gaan. Zelf zou ik daar nooit aan gedacht hebben. En die man heeft mij werkelijk uit die depressie gehaald. Hij komt mij nog af en toe bezoeken. Dat zijn gesprekken waar ik veel aan heb.”

Stel dat er een pil bestond waardoor Regine al haar slechte herinneringen kon vergeten, zou zij die dan nemen? “
(twijfelt, glimlacht dan) Daar zou ik eens héél goed over moeten nadenken. Ik zou alleszins dat hoofdstuk willen afsluiten. Mijn zoon (VRT-journalist Stefan Blommaert, red.) en dochter hebben het mij echt op het hart gedrukt: ‘Mama, u moet ermee stoppen!’ Anderzijds heeft het mij altijd in contact gebracht met andere mensen. Zo heb ik veel vrienden gemaakt, en ben ik ook altijd blij als er journalisten over de vloer komen. Maar ik moer er een punt achter zetten. Dan kan ik eindelijk beginnen te leven zoals een oud madammeke. (ondeugend)  Maar dat wil ik niet, hoor.”

Wat zijn Regines plannen voor de komende jaren? “Veel plannen heb ik niet meer. Ik heb altijd graag verre reizen gemaakt, maar dat laat mijn gezondheid niet meer toe. Daar moet ik mij bij neerleggen. Al weet ik dat de meeste mensen dat niet meer gemakkelijk doen. Mensen zijn zeer verwend, tegenwoordig. Niet alleen de kinderen, maar ook de ouders. Het moet altijd maar verder en verder en meer en meer. Ze willen naar de Noordpool en de Zuidpool, naar de evenaar en de Kreeftskeerkring – nooit zijn ze tevreden.”

Is Regine tevreden? “Ik ben meestal wel tevreden. Ik krijg veel vriendschap van de mensen. Ik hou van mijn kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen.
(plotseling heel trots en overtuigend)  En ik ben absoluut niet jaloers! Jaloezie is een zeer zware kwaal, ik heb bij andere mensen vaak genoeg gezien wat dat teweeg kan brengen. Ik ben blij dat ik daar geen last van heb.” Heeft Regine geluk gekend? “Ik voelde mij gelukkig toen de kinderen nog klein waren. Maar ik heb ook twee mislukte huwelijken achter de rug en woon nu al twintig jaar  alleen, dus dan kun je niet écht gelukkig zijn. Ik ben alleen. En dat is niets voor mij.”

Had Regine eigenlijk al een vrijer toen zij werd opgepakt? “Een vrijer niet. Er was wel een jongen voor wie ik een boontje had. Toen ik terugkwam uit Auschwitz hoorde ik dat hij gecollaboreerd had. En met zo iemand kon ik natuurlijk niet trouwen. Mijn eerste man heb ik leren kennen bij de bevrijding. Hij had vastgezeten als Franse krijgsgevangene. Helaas heb ik bij hem het geluk niet gevonden.
(zwijgt even)  En onze eerste zoon, Michel (Morantin – steeds paraat en een helpende hand bij AFF-acties, red.)  is gestorven toen hij 52 was. Daar heb ik veel verdriet van gehad. Hij was zo’n lieve en genereuze man.”

Vraagt Regine zich soms af wat de zin van het leven is? “Neen, want ik kan er toch niet op antwoorden.
(zwijgt even, denkt na)  Van mekaar houden. Van de mensen houden, dát is het belangrijkste.”

Is Regine bang om dood te gaan? “Helemaal niet. Als ik moet doodgaan, ga ik dood. En dan is het gedaan. Maar ik wil honderd jaar worden. Ik moet honderd jaar worden, want ik heb het aan mijn kinderen beloofd.” We wensen het haar toe. “Het moet!
(glimlacht)  Alles wat ik beloofd heb in mijn leven, en zeker de dingen die ik beloofd heb aan mijn kinderen, heb ik altijd volbracht. Dit zal ik ook volbrengen. Ik mag natuurlijk langer blijven leven, maar dat hoeft niet. Honderd is voldoende.”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

04-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (4)

Wat voorafging: 1, 2, 3. Wat gebeurde er als iemand ziek werd? Regine Beer: “Er was een soort verpleegzaal waar je dan terechtkwam. Wie hoge koorts had, werd eruit gehaald en naar de gaskamer gestuurd. Ik heb ook een paar keer in die zaal gelegen, maar blijkbaar was ik nooit ziek genoeg om vergast te worden.” Regine had een goede engelbewaarder. “(glimlacht)  Ja, je zou het nog gaan denken. Maar ik geloof niet in engelen of in God, hoor. Ik ben honderd procent vrijzinnig. Zo ben ik ook opgevoed door mijn ouders.”

Heeft Regine nooit getwijfeld? “Neen. Toen ik pas terugkwam uit Auschwitz, kwam een oude schoolvriendin mij bezoeken. ‘Regine’, zei ze, ‘ik weet dat jij vrijzinnig bent, maar ik ben gelovig, en ik ken een pastoor die graag met jou zou kennismaken. Zou jij niet eens met hem willen praten?’ Ik zag daar het nut niet echt van in, maar ik ben naar die man toe geweest. Wij hebben een halve dag met elkaar gesproken. Toen we afscheid namen, zei die pastoor:’De meeste mensen hebben een geloof nodig, omdat het een steun is voor hen. Maar u hebt dat niet nodig, u kunt leven zonder godsdienst.’” Voor sommige mensen is God gestorven in Auschwitz. “Dat begrijp ik zeer goed. Als God bestaat, dan heeft hij Auschwitz laten gebeuren, en dan is hij het slechtste wezen dat ik mij kan voorstellen.”

Welke beelden uit het kamp ziet Regine als ze de ogen sluit? “Dan zie ik de appelplaats, waar Mala Zimetbaum (foto: gedenkplaat aan het huis van Mala Zimetbaum in Borgerhout) voor onze ogen werd gedood, omdat ze in het gezicht van een SS’er had gespuwd en tegen hem had gezegd: ‘Uw tijd komt ook nog!’ Ik zie een vijver waar we eens in mochten springen terwijl we aan het marcheren waren, zodat we ons heel even fris konden voelen. En dan is er nog een beeld: kampgevangenen die door hun benen zakken en zich nog proberen recht te houden tegen de muur – als dat gebeurde, was het met je gedaan. Dat zijn zowat de belangrijkste beelden die ik zie.
(zwijgt even)  En wat ik ook altijd heb onthouden, is de stank in de barakken waar we sliepen. We sliepen in een soort kooien, met twee verdiepingen. Omdat ik nogal lenig was, kon ik meestal op de bovenste verdieping kruipen. Dat was de beste plaats, en weet u waarom? Omdat bijna iedereen diarree kreeg, en de urine en de (spreekt het woord stil uit)  Scheisserei zomaar liet lopen. Wie beneden lag, was altijd vies.”

Bestond er solidariteit onder de gevangenen? “Neen, het was verboden om solidair te zijn. Mensen probeerden elkaar soms wel te helpen, maar meestal was het ieder voor zich. Je kon ook bijna niet met elkaar praten, je moest altijd op je hoede zijn. Je was altijd eenzaam. Die eenzaamheid achtervolgt mij vandaag nog altijd.”

Heeft Regine met iemand over haar ervaringen kunnen spreken vóór het einde van de jaren zeventig, toen ze begon met spreekbeurten en lezingen te geven? “Neen, de eerste dertig jaar na de bevrijding heb ik er weinig over kunnen spreken. Toen ik pas terug thuis was, heb ik alles natuurlijk aan mama verteld. Mijn kinderen heb ik willen sparen, dus hen heb ik vroeger nooit te veel verteld. Al waren ze wel altijd nieuwsgierig naar dat nummer op mijn arm. Toen ze wat ouder waren, heb ik hen dan uitgelegd wat dat is.”

Wat betekent dat nummer voor Regine? “Het is mijn bewijs dat het allemaal echt gebeurd is. In Den Haag ben ik eens gaan spreken voor een groepje jongens die niet geloofden dat de kampen echt bestaan hebben. De vrouw die mij had uitgenodigd, wilde hen daar toch van overtuigen en nodigde mij daarom uit. Toen ik daar binnenkwam, was ik wel een beetje bang. Het waren allemaal nogal forse kerels. En in het begin waren ze helemaal niet geïnteresseerd in wat ik vertelde – je zag hen denken: ‘Laat dat oude wijf maar zagen.’ Tot ik dat nummer op mijn arm liet zien. Toen begonnen ze te denken. Niemand laat zoiets voor zijn plezier op zijn arm tatoeëren, dat beseffen ze ook wel. Toen waren ze genezen. Ze zijn later nog naar Auschwitz gegaan, en ze hebben mij zelfs nog een kaartje gestuurd. Dat vind ik een geweldig resultaat.”

Zijn er overlevenden die dat nummer laten weghalen? “Ja, heel veel. Ik zou willen dat het na mijn dood bewaard zou worden. Dat ze dat stukje huid uit mijn arm snijden en het laten drogen, zoals perkament. Maar het schijnt heel duur te zijn, en je krijgt er niet zomaar de toelating voor. Jammer, want dan zouden ze het ergens kunnen tentoonstellen. Het is niet omdat ik sterf dat alles moet worden weggegooid. Mensen moeten weten wat er gebeurd is. Het beste is natuurlijk naar Auschwitz zelf gaan. Bent u er al geweest?” Nog niet, neen. “U moet zeker eens gaan. Zelf wil ik het niet meer doen, voor mij is het veel te beklemmend. Ik ben verschillende keren teruggegaan, om mensen het kamp te tonen. Maar ik kan het niet meer aan. Lichamelijk niet, en geestelijk ook niet.”

 

Koestert Regine nog haat of boosheid? “(verbaasd)  Ikzelf? (resoluut)  Neen, ik ben niet haatdragend. En ik zou alle mensen willen aanraden om hun kinderen zo op te voeden, om hen te leren niet te haten. In het begin was dat voor mij natuurlijk niet gemakkelijk. De eerste jaren kon ik zelfs het woord ‘Duitser’ niet verdragen. Maar dat is stilletjes aan gebeterd, en nu heb ik dat absoluut niet meer.”

Heeft Regine haar schooldirectrice nog teruggezien? “Ja. Toen ik weer thuis was, heeft zij mama en mij zelfs eens uitgenodigd om een vieruurtje te komen gebruiken en eens te babbelen. Ik heb haar nooit iets kwalijk genomen.” Regine is, ondanks alles, blijven geloven in de mens. “Jazeker. Als ik ging spreken in scholen, eindigde ik altijd met een prachtige zin die ik ooit gelezen heb in het dagboek van Anne Frank: ‘En toch blijf ik geloven in de innerlijke goedheid van de mens.’”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

03-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (3)

Auschwitz - 1.jpgWat voorafging: 1, 2. Hoopte Regine Beer nog terug naar huis te kunnen? “Eén van de Vlaamse SS’ers die ons in Mechelen moest bewaken, heeft mij op een dag de kans gegeven om te ontsnappen. Mosje Pisje noemden we hem. Ik moest samen met hem naar de apotheker, en ik voelde dat hij opzettelijk op een afstand bleef, alsof hij wilde dat ik ontsnapte. Maar ik heb het niet gedaan, ik ben braaf mee terug naar de kazerne gewandeld. Als ik het wél had gedaan, wist ik zeker dat ze mijn mama zouden hebben opgepakt. En dat wilde ik niet. (zwijgt even)  En er is nog iets raars: ik was op dat moment blij dat papa niet meer leefde. Ik weet dat het woord ‘blij’ hier eigenlijk niet past, maar toch: als papa nog had geleefd, hadden ze hem zeker ook opgepakt en naar de kampen gevoerd. En die zou niet levend teruggekomen zijn, want hij was veel ouder dan ik. En hij was geen twijfelgeval, zoals ik.”

Waren er ‘twijfelgevallen’ die vrijgelaten werden? “Ja, soms werden er mensen vrijgelaten. Maar dan moest je ofwel iemand kennen die in contact kon komen met koningin Elisabeth, ofwel iemand kennen met een groot kapitaal. Zo is Daan Sternefeld vrijgekomen, omdat er voor hem betaald werd. Toen hij vertrok, zei Daan nog dat hij naar mijn moeder zou gaan om te vertellen waar ik was. Maar mama had geen geld, dus ze heeft mij niet kunnen vrijkopen. En toen een commissie van Duitse hogeschoolstudenten, die
Rassenkunde  studeerden, op bezoek kwam, was mijn lot bezegeld. Zij besloten uiteindelijk dat ik Joodse was. Ik kreeg een transportnummer en moest op de trein. Achteraf is gebleken dat ik op het voorlaatste transport ben gezet.”

Hoe was dat, in zo’n wagon? “Drie dagen en drie nachten heeft dat transport geduurd. Wij zaten met honderd mensen in een wagon waar normaal misschien maar twintig mensen in konden. Mannen en vrouwen, kinderen en oudere mensen, zieke mensen – wij stonden er zaten allemaal op elkaar gepakt. In elke wagon stond één
Kübel, een soort emmer, waarin wij onze behoefte konden doen. En als de trein dan even stopte, werden die Kübels  leeggemaakt. Dat stónk, het was verschrikkelijk. En de kinderen maar schreeuwen en huilen. Er waren ook mensen die aan het bidden waren.”

Wist Regine waar ze naartoe gevoerd werd? “Neen, pas toen de trein uiteindelijk bleef stilstaan en we moesten uitstappen, zagen we het bord: Auschwitz-Birkenau. Ik begreep nog altijd niet wat er aan de hand was. We werden opgespitst in twee rijen. Rechts de kinderen, de oude mensen, de zieke mensen, die allemaal werden vergast en verbrand. Ik moest naar links, dat was de goede kant, voor de mensen die mochten blijven leven omdat ze ons nodig hadden om te werken.
(wijst naar haar arm)  We moesten ons uitkleden en het eerste wat ze deden, was een nummer in onze arm prikken. Ik kreeg nummer A 5148. Ik herinner mij ook nog dat ik toen een meisje zag dat ik kende van op school, en dat ik haar vroeg wat er allemaal in het kamp gebeurde. ‘Wacht maar’, zei ze, ‘het zal je snel genoeg duidelijk worden.’”
 

 

Hoe heeft Regine het kamp van Auschwitz (foto) kunnen overleven? “Ik heb veel geluk gehad. Op een dag stond ik mee in de rij om vergast en verbrand te worden. En ineens, ik weet niet waarom, kwam er een bewaker langs en die riep iets, en wij moesten allemaal een halve draai naar rechts doen en terug naar het kamp marcheren. Voor de rest probeerde ik er altijd voor te zorgen dat ik in een groepje stond, zodat ze mij niet zouden opmerken. Ik bleef zo onopvallend mogelijk.”

Wat voor werk moest Regine doen? “Loopgrachten graven. Om ze dan nadien weer te vullen. Gewoon om ons te pesten, soms. Ik heb ook eens in de keuken gewerkt, waar Poolse en Hongaarse vrouwen de plak zwaaiden. Die vrouwen waren zelf ook gevangenen, maar ze gedroegen zich nog slechter dan de nazi’s zelf. We mochten bijvoorbeeld nooit een bekertje soep voor ons zelf uit de ketel scheppen. En soms stalen ze ons brood, hoewel we elke dag maar een klein stukje kregen. In de fabriek heb ik ook gewerkt. Daar moesten we moertjes maken, voor de vliegtuigen. En als we terug naar het kamp gingen, moesten we altijd marcheren, op maat – ‘Schnell, schnell, Schweinehunden!’ Op den duur had ik echt geen kracht meer. Toen ik aangehouden werd, woog ik 62 kilo. Bij de bevrijding woog ik er nog 31.”

Wat is het ergste dat Regine gezien of meegemaakt heeft? “Het ergste heb ik niet zelf gezien, maar gehoord van iemand die ook in het kamp zat. Toen er een nieuwe lading gevangenen arriveerde, heeft een SS’er eens een klein kindje bij de beentjes vastgepakt en tegen een stenen muur geslagen, zodat de hersentjes eruit liepen. Dat vind ik het ergste, wat ze die kinderen hebben aangedaan. Wij hadden ook geen verweer, wij konden ons ook niet verdedigen, maar wij konden tenminste nog nadenken, als volwassenen.”

Welke gedachten hielden Regine overeind? “Dat ik moest vrij komen. Ik had een sterke wil, ik wilde vrij komen. Ik móést eruit geraken, voor mama. Want ik had haar een onrecht aangedaan, door te luisteren naar mijn directrice. Ik hunkerde naar de vrijheid. En dat heeft mij altijd geholpen. In mijn binnenste zong ik altijd een liedje dat ik nog van vroeger kende.
(zingt)  ‘De gedachten zijn vrij. Wie raadt ze daarbinnen? Ze dansen voorbij. Als nachtelijke schimmen. Geen mens kan ze maken. Geen jager kan ze raken. Laat wezen wat zij. De gedachten zijn vrij. Vrij. Vrij.’ (zwijgt even)  Maar ik was heel erg bang, hoor. Toen ik samen met twee andere vrouwen vlakbij een ketel soep stond, en zij daar wat uit probeerden te scheppen, heb ik dat niet gedurfd. Ik was altijd te bang om gepakt te worden. Ik vond het laf van mezelf, maar het heeft me wel gered.”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

02-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (2)

KZ A 5148.jpgWat voorafging: 1. “Eigenlijk is het niet goed voor mij, om dat hele verhaal nog eens te vertellen”, zegt ze. “Maar ik wil het tóch doen. En dan wil ik de bladzijden omdraaien en alleen nog maar naar de toekomst kijken.” Regine Beer (foto) gaf in 2007 haar laatste lezing. Bijna tweeduizend keer is ze in scholen en elders gaan spreken over haar ervaringen in het concentratiekamp van Auschwitz-Birkenau. Op doktersbevel moest ze het voortaan rustiger aan doen. Voor Knack vertelde ze in 2007 nog een laatste keer haar verhaal. Als hommage aan de vrijdag negentig jaar wordende Regine Beer hernemen we hier vandaag en de volgende dagen dat interview.

Regine Beer: “Mijn papa is in 1940 gestorven. Hij was altijd diamantbewerker geweest, maar had in de jaren dertig niet veel werk gehad. Dat maakt dat er bij ons thuis geen financiële weelde was. Mama had geen beroep, die deed het huishouden. Ik was de enige die nog thuis woonde. Ik ging naar de normaalschool, want mama wilde dat ik zeker een diploma zou behalen. Zo ben ik lerares Franse taal en lichamelijke opvoeding geworden. De directrice van de normaalschool was altijd heel lief voor mij. Omdat ze wist dat we het thuis niet breed hadden, legde ze elke dag om tien uur een boterham voor mij klaar. Ik was een braaf meisje. Véél te braaf. Want toen de directrice mij zei dat ik mij op het Antwerps stadhuis moest laten inschrijven in het Jodenregister, heb ik die slechte raad ook opgevolgd. De directrice wist dat ik langs vaderskant van Joodse oorsprong was, en ze wilde in orde zijn met de papieren. En ik heb gewoon naar haar geluisterd. Als ik dat niet had gedaan, was het allemaal niet gebeurd.”

Wist ze dan niet wat haar boven het hoofd hing? “Toen ik mij ging inschrijven nog niet. Maar vrij snel kreeg ik in de gaten dat het beter was om mij niet als Joodse kenbaar te maken. De Jodenster heb ik nooit gedragen. Omdat ik wist dat ik er niet Joods uitzag, kon ik op een normale manier mijn leven verder zetten. Mijn zuster is zich niet gaan inschrijven. Zij was al getrouwd en droeg de naam van haar man. Mijn broer is zich wel gaan inschrijven. Hij had dezelfde naam als ik en was bang geworden. Hem wilden ze ook oppakken, maar dat is uiteindelijk niet gebeurd. Zijn vrouw, die een echt arisch type was, had hun slapend zoontje getoond aan de SS’er die hem kwamen ophalen – dat kind had een hazenlipje en een wolfsmuiltje. Toen hij dat zag, zei de jongste van de SS’ers: ‘Man muss nicht mit!’ Blijkbaar had hij ook een zoontje met zo’n hazenlip. Ik ben er niet aan ontsnapt. Doordat ik mij was gaan inschrijven, kwam het moment dat ze voor de deur stonden.” Het gebeurde ’s nachts.

“Ik lag boven te slapen, toen ik hoorde dat men beneden op de deur stond te bonken: ‘Aufmachen! Polizei!’ Mijn moeder heeft opengedaan en toen zegden ze dat ze mij moesten hebben. Mama heeft nog gezegd: ‘Jamaar, het is toch ook mijn dochter en ik ben geen Joodse!’ Maar dat hielp niet. Mijn vader was Jood, dus ik moest mee. Ze zijn de trappen op gedonderd, naar de tweede verdieping, tot in mijn slaapkamer. Ze bleven erbij staan terwijl ik mij aankleedde. Ze hebben mijn spaargeld nog gestolen, dat herinner ik mij ook. En ze hebben mij meegesleurd naar beneden en in een camion gegooid.” Mocht Regine afscheid nemen van haar moeder? “Neen, dat mocht niet. Mama weende alleen maar. En ik heb haar niet kunnen troosten. Ik had toen nog de hoop dat het allemaal wel zou meevallen.”

Waar werd Regine naartoe gebracht? “Naar de Dellafaillelaan 21, naast het Nachtegalenpark in Wilrijk. Daar moesten we de hele nacht rechtstaan in open paardenstallen. We hoorden er voortdurend geroep en geschreeuw – later bleek dat daar weerstanders gefolterd werden. Diezelfde nacht werden we weer in een camion geduwd en zijn we naar de Dossinkazerne in Mechelen gebracht. Daar kreeg ik mijn eerste nummer
(spreekt het uit op z’n Duits)  E 102 – met de ‘E’ van Entscheidung, omdat ik een van die twijfelgevallen was over wie men later nog zou beslissen. Ik heb meteen verklaard dat ik maar half-Joods was. Dat is mijn redding geweest. Want als ze meteen hadden beslist om mij weg te voeren, had ik veel sneller in het kamp gezeten.”

Wat gebeurde er allemaal in Mechelen? “Toen we daar aankwamen, moesten we ons uikleden. Overal zochten ze naar juwelen en andere kostbare dingen: in mijn mond, onder mijn oksels, overal waar het maar kon – ze gingen zelfs met een rietje door de schaamspleet.
(zwijgt, denkt na)  Verder was het daar niet zo erg als in Auschwitz-Birkenau, maar het was toch al een soort voorgeborchte, zou ik zeggen. We werden er bijvoorbeeld gepest. Dan moesten we allemaal meteen naar beneden komen om turnoefeningen te doen: op handen en voeten, en dan twintig keer na elkaar de armen buigen en strekken. Voor mij was dat geen probleem, ik deed dat met plezier. Maar er zaten ook stokoude mensen tussen, en als zij die oefeningen niet konden, werden ze verschrikkelijk geslagen.”

Waren daar mensen bij die Regine kende? “Neen, ik kende niemand in de Joodse gemeenschap. Mijn ouders hadden ons helemaal niet Joods opgevoed. Mijn vader had mij wel eens verteld dat hij Joods was, maar dat betekende verder niets voor ons. Ik kende dus niemand van de mensen die samen met mij waren opgepakt. In Mechelen heb ik wel mensen léren kennen, natuurlijk. Toen een andere gevangene ’s nachts had geprobeerd
(spreekt het schroomvol uit)  om met mij de liefde te bedrijven, waren er twee mannen die mij in bescherming namen: Daan Sternefeld en David Kusman. Ik mocht dan tussen hen in slapen, zodat niemand mij nog kon lastigvallen.”

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print

01-11-10

REGINE BEER NEGENTIG (1)

Regine Beer.jpgAanstaande vrijdag 5 november wordt Regine Beer negentig jaar. Het Anti-Fascistisch Front (AFF) en de redactie van AFF/Verzet feliciteren Regine van harte. Regine legde bijna tweeduizend keer getuigenis af van de gruwel van de nazi’s, waarschuwde voor hun ‘deftige’ opvolgers en steunde de acties van het AFF voluit. Twee jaar geleden was ze de eerste om een opiniebijdrage te tekenen tegen de zelfverklaarde onmacht om neonazistische organisaties als Blood and Honour Vlaanderen aan te pakken (foto).

 

In het door De Standaard afgekraakt maar toch zeer lezenswaardig boek  De haat tegen het Westen stelt auteur Jean Ziegler de vraag waarom niet-Westerse landen soms tientallen jaren nadat ze onafhankelijk werden pas écht in opstand komen tegen het onrecht dat hen is aangedaan. Hij beantwoordt het met een verwijzing naar de overlevenden van de concentratie- en vernietigingskampen. Die deden er vaak tientallen jaren over vooraleer ze over de gruwel van de kampen konden vertellen. Zo ook Regine Beer. Ze was 22 toen ze op 3 september 1943 in Antwerpen werd opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Pas in de jaren zeventig, dertig jaar later, nadat ze gevraagd werd een rol te vertolken in de televisiereeks Beschuldigde sta op, begon Regine over haar ervaringen onder het nazi-regime te praten. Bijna tweeduizend keer gaf ze er voordrachten over, vaak voor jongeren. In 1992 werd haar levensverhaal opgetekend in het boek KZ A 5148, naar het nummer dat op haar arm getatoeëerd werd bij aankomst in Auschwitz. In 2006 verscheen een aangevulde versie onder de titel Mijn leven als KZ A 5148.

 

Regine Beer evolueerde, zo leren ons die boeken, van een levenslustige, wat naïeve adolescent tot een karaktervolle vrouw, een bewustere volwassene en een alerte bejaarde dame. Gezondheidsproblemen spelen haar intussen parten, maar ze leest nog graag kranten en boeken, kijkt steevast naar kwisprogramma’s op de Franse en Vlaamse televisie, en vertelt gloedvol over haar kinderen en kleinkinderen. Ze heeft haar kinderen beloofd honderd jaar te worden, en die belofte wil ze graag houden zoals ze ook haar andere beloften waarmaakte. We wensen het Regine natuurlijk van harte toe. De volgende dagen herneemt AFF/Verzet een interview dat Joël De Ceulaer in 2007 voor Knack afnam van Regine Beer. Eén van de laatste keren, als het niet dé laatste keer was, dat Regine haar verhaal deed om op te tekenen in een gedrukt medium.

 

Met het internet is Regine niet vertrouwd – één van de keren dat we bij haar langsgingen vroeg ze ons nog een aantal begrippen uit de digitale communicatiewereld uit te leggen waar haar zoon (VRT-journalist Stefan Blommaert, nvdr.) een paar dagen tevoren met haar over had gesproken. Toen we het Knack-interview drie jaar geleden een eerste keer publiceerden op deze blog, waren Facebook en Twitter nog niet zo ingeburgerd als nu. En vermits nogal wat artikels die hier verschijnen door lezers geforward worden via Facebook, en soms zelfs Twitter, nodigen we onze lezers uit dit ook te doen met de interviewfragmenten die hier de volgende dagen verschijnen. De getuigenis van Regine Beer kan niet genoeg verspreid worden, haar verhaal mag niet vergeten worden.

00:15 Gepost door AFF/Verzet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: regine beer negentig |  Facebook | | |  Print